Work in progress : A. Verbeke

Callicanes 50: Maybe this is my life. 22 maart 2014

31/03/14

Op mijn tweede dag aan de zijde van de Médecins du Monde bezoek ik de vluchtelingenkampen in Téteghem en Grande-Synthe, beide in de buurt van Duinkerke. In elk kamp zit op dit moment één vrouw, tussen tientallen mannen.

De vrouw in Téteghem verblijft met haar drie grote kinderen in een huisje van vezelplaat (daar door Médecins du Monde neergezet) en klaagt net als de meeste andere kampbewoners over keelpijn. Het meisje in Grande-Synthe loopt hand in hand met een jongen over het grote terrein; prille liefde op een ruwe plek.

Het valt op dat de vluchtelingen ook binnen de kampen grenzen in ere houden. Ze verkiezen een tent tussen de hokjes van landgenoten boven een leegstaande vezelplaten woonst. Er zijn wel vaker spanningen tussen Afghanen, Pakistanen, Iraniërs en Syriërs. In Grande-Synthe praat ik met een vreemde eend in de bijt: de enige Soedanees van het moment. Hij dankt ons gemeend voor onze inzet en bevestigt dat hij zich nu in een uitzonderingspositie bevindt: hij staat alleen, maar heeft ook met niemand ruzie. Al neigt hij door de gemeenschappelijke taal toch vooral naar omgang met degenen die Arabisch spreken. Hij vertelt wat over zichzelf in vlekkeloos Engels: hij studeerde technologie en robotica in Athene en wil graag literatuur studeren in Londen. Maar nu moet hij ons gesprek onderbreken omdat hij een Syrische vluchteling tijdens zijn doktersbezoek moet bijstaan met vertalen.

Ook ik blijk me op dat vlak nuttig te kunnen maken. De hele dag vertaal ik van het Engels naar het Frans en omgekeerd. Als ik in de voormiddag met Joëlle drie jongens van het kamp in Téteghem naar het ziekenhuis in Duinkerke breng – een van de drie heeft een behandeling tegen kanker nodig – wordt er enthousiast op mijn Engels gereageerd, en vervolgens wat teleurgesteld, omdat ik slechts twee dagen meedraai.

Sommige mensen willen me graag vertellen wat hen is overkomen. Een Syrische man toont me twee foto's, een andere Syriër legt het uit. ‘Zijn schoonbroer. Levend. Dood. Bashar al-Assad.' De jongen beweegt zijn hand als een schietend pistool, gaat dan op een steen zitten, zijn hoofd in zijn armen, zijn blik nog op de foto's. Ik praat verder met de vriend die Engels kan. Hoe lang is hij al onderweg? ‘One year of running. Maybe this is my life.' Hij kijkt me onderzoekend aan. ‘I hope not', zeg ik. Mijn antwoorden kunnen alleen maar tekortschieten.  

Een jongen van tweeëntwintig deelt me met veel moeite mee dat de verpleegsters in Afghanistan allemaal heel jong zijn. ‘Teleurgesteld?' vraag ik. Hij lacht nerveus, legt uit dat hij uit een cultuur komt waar een vrouw geen twee meter de deur uitgaat zonder door een man te worden begeleid. Eens ze trouwt, moet ze niet meer werken. Zou ik dat zelf eigenlijk ook niet beter vinden? Dat ik niet zelf hoefde te werken? Ik druk hem op het hart dat ik graag werk en van mijn zelfstandigheid hou. Hij knikt bedachtzaam.

In de namiddag help ik vrijwilligers Guy en Francine. Ze hebben de ambulance van Médecins du Monde op de wei in Grande-Synthe gezet. Er is nog een andere ngo: Salam, een organisatie die voor voedselbevoorrading zorgt en eveneens door vrijwilligers wordt gedragen.

Een dokter komt ter plaatse. Hij krijgt zevenentwintig patiënten die dag, komt nu en dan bezweet naar lucht happen, werkt twee uur langer dan voorzien. Dit soort inzet is niets voor mensen die er moeite mee hebben van plannen af te wijken. Ik deel beurtnummers uit, schrijf namen en herkomstlanden neer, luister en kijk.  

Een Afghaanse jongeman spreekt enkele woorden Nederlands, noemt Gent, Brussel en Luik zeer mooie steden en kent Maggie De Block. Hij wordt al vijf jaar doorgestuurd.

Vluchtelingen zijn geen homogene groepen. Ze zijn hier allemaal, en worden door alle nationaliteiten vertegenwoordigd: babbelaars, helpers, lolbroeken, psychoten, ongeduldigen, intellectuelen, somberen, naïeven, engelen, regelneven, optimisten, koks. Allemaal willen ze naar Groot-Brittannië, vaak nadat ze in andere Europese landen het deksel op de neus kregen. In het kantoor van Médecins du Monde hangt een foto van de binnenkant van een van de onderkomens. Iemand heeft er ‘I love you England!' op de muur geschreven.

In Grande-Synthe verblijft een jongeman die onophoudelijk breed glimlacht. Zo loopt hij over het terrein, zo staat hij tussen de anderen, zo laat hij zich vriendschappelijk op de rug slaan door een hulpverlener. Ik zie hem met die glimlach alleen op een stronk zitten, paniek in de ogen. Hij vlecht de kwastjes van zijn sjaal. Ik richt mijn blik op de bloesems van de boom naast de ambulance, wit als waspoeder, parels, de zon op mijn gezicht. Een jongeman staat naast me naar de warmte en het licht gekeerd.

‘Sun is good.'

Ik knik. Witte blaadjes drijven als minuscule vlinders in de zachte bries, onze kant op. ‘Beautiful tree.'

Hij knikt. ‘Beautiful.'

 

De andere blogs lees je via:

http://s413101063.onlinehome.fr/300ansdefrontiere/index.php?menu=17&page=wip_postes-verbeke

    

Retour   Toutes les actualités